en
ik
jij
hij
zij
wij
jullie
zij
het
zijn
hebben
kunnen
moeten
zullen
willen
zitten
staan
lopen
de tijd
de dag
du
ich
und
wir
sie
er
es
sie
ihr
können
haben
sein
wollen
werden
müssen
laufen
stehen
sitzen
der Tag
die Zeit